Wat gebeurt er in het boek?
|
| H1
| Vier kinderen moeten uit Londen naar het platteland. Het is oorlog en in Londen is het te gevaarlijk. Ze gaan naar een professor, die een heel groot huis heeft. De kinderen heten: Peter, Susan, Edmund en Lucy.
De professor is heel aardig. De dag na hun aankomst willen ze eigenlijk naar buiten gaan. Maar het regent buiten. Dus gaan ze het huis verkennen.
Ze komen in een kamer waar alleen maar een kleerkast staat. Ze gaan weer naar buiten, behalve Lucy. Ze probeert of de kast open kan. Dat kan, en dan ziet ze dat er bontjassen in hangen. Ze stapt tussen de bontjassen.
Dan merkt ze opeens dat ze tussen de bomen staat. Ze is in een bos en het sneeuwt. Er brandt een lantaarn in de verte. Lucy loopt er naar toe. Dan ziet ze een ander wezen lopen. Het is een Faun.
|
| H2
| Als de Faun Lucy ziet, schrikt hij. Hij had cadeautjes in zijn handen en die vallen op de grond. De faun heet Tumnus. Hij nodigt Lucy uit om naar zijn huis te komen.
Na het eten vertelt Tumnus over vroeger, toen het nog fijn was in Narnia. Maar nu is het altijd winter.
Als Lucy weg wil gaan, begint Tumnus opeens te huilen. Hij vertelt dat hij in dienst is van de Witte Tovenares. Die is nu de baas in Narnia en daardoor is het altijd winter. Hij wilde Lucy eigenlijk ontvoeren.
Tumnus brengt Lucy naar de lantaarnpaal. Vanaf daar weet ze de weg wel naar de kleerkast.
|
| H3
| Als ze weer in de lege kamer is, rent ze naar de anderen toe. Maar die geloven niet wat ze heeft meegemaakt, voor hen is er geen tijd voorbij gegaan.
De dagen daarna is Lucy erg ongelukkig. Niemand gelooft haar. Maar ze geeft niet toe dat ze het verzonnen heeft. Edmund zit haar heel de tijd te treiteren.
Op een dag regent het weer. Ze gaan verstoppertje doen. Lucy gaat even bij de kleerkast kijken. Edmund ziet haar de kast ingaan en gaat ook de kast in. Maar hij ziet Lucy niet.
Dan is hij ook in Narnia. Hij gaat op zoek naar Lucy, maar hij ziet haar nergens. Dan komt er een arrenslee aan. Hij wordt getrokken door rendieren. Op de slee zit een vrouw. Ze heeft witte kleren aan. Haar gezicht is ook helemaal wit, alleen haar mond is rood.
|
| H4
| De slee stopt bij Edmund. De vrouw zegt dat ze de Koningin van Narnia is. Ze vraagt of Edmund een jongen is, een Zoon van Adam. Dan geeft ze hem lekkere dingen, ook een doos marsepein.
De Koningin vraagt van alles aan Edmund en hij vertelt alles aan haar. Dan zegt ze dat hij zo snel mogelijk zijn broer en zussen mee moet nemen naar haar huis. Ze wijst hem de weg naar haar huis. Als hij de anderen ook meebrengt, zal hij nog meer marsepein krijgen.
Dan komt Lucy aan lopen. Ze is weer bij meneer Tumnus geweest. Edmund voelt zich niet op zijn gemak als hij hoort dat de Koningin de Witte Tovenares is, maar hij wil zo graag weer marsepein eten, dat hij haar toch wil gehoorzamen.
|
| H5
| Als Edmund en Lucy weer terug zijn, doet Edmund net of ze het hebben gespeeld. Lucy is heel verdrietig en Peter wordt kwaad op hem. Peter en Susan gaan het aan de professor vragen. Die zegt dat Lucy best gelijk kan hebben.
Op een dag komen er bezoekers bij het huis. De kinderen mogen dan niet in de weg lopen. Dus verstoppen ze zich in de kleerkast. Dan zijn ze opeens allemaal in Narnia. Ze trekken allemaal een bontjas aan.
|
| H6
| Ze besluiten om naar Tumnus te gaan. Maar zijn huisje is helemaal vernield. Dat heeft Maugrim gedaan. Maugrim is een wolf, hij werkt voor de Koningin.
Ze zien een roodborstje, die hun ergens heen leidt. Als het roodborstje wegvliegt, weten ze niet waar ze zijn. Maar dan zien ze een bever, die hen wenkt.
|
| H7
| Ze gaan naar hem toe. Hij vertelt dat Tumnus hem gewaarschuwd heeft voor hij gevangen werd genomen. De bever zegt ook dat Aslan waarschijnlijk in de buurt is. De kinderen gaan met hem mee om wat te eten.
Het huisje van de bever staat op een dam. Die heeft hij zelf gebouwd. Mevrouw Bever is ook heel blij dat ze er zijn. Ze krijgen heerlijk eten. Dan vertelt meneer Bever over Narnia.
|
| H8
|
Aslan is de Koning van Narnia. Als hij weer terug is, zal de Witte Tovenares worden verdreven. De kinderen moeten naar de Stenen Tafel komen, daar is Aslan ook.
Er is een spreuk, dat als er vier Zonen van Adam en Dochters van Eva op de tronen in Cair Paravel zullen zitten, het kwaad voorgoed uit Narnia zal verdwijnen. De Koningin weet die spreuk ook, daarom zal ze de vier kinderen willen doden.
|
| H9
| Dan ontdekken ze opeens dat Edmund verdwenen is. Meneer Bever zegt dat hij naar de Witte Tovenares is, om te zeggen dat de rest bij de bevers is. Ze moeten dus vlug naar de Stenen Tafel gaan. Aslan is de enige die Edmund en hun zal kunnen redden van de Tovenares.
Edmund gaat ondertussen naar het huis van de Koningin. Hij loopt tussen de stenen beelden door. Voor de ingang ligt een wolf. Die gaat aan de Koningin zeggen dat Edmund er is. Ze is heel kwaad dat hij de rest niet heeft meegenomen.
Als de Tovenares hoort dat ze naar de Stenen Tafel gaan, laat ze de slee halen en gaat naar de Stenen Tafel. Edmund moet ook mee. Hij is heel ongelukkig, want hij heeft geen marsepein gekregen en de Koningin is niet aardig tegen hem.
|
| H10
|
De andere drie kinderen, en meneer en mevrouw Bever, gaan op weg naar de Stenen Tafel. Het duurt wel voor ze weg zijn, want mevrouw Bever wil van alles meenemen. Ze moeten heel lang lopen.
Die nacht slapen ze in een hol, langs de kant van de weg. Dan horen ze opeens een arrenslee aankomen. Het is gelukkig niet de Koningin, maar de Kerstman. Peter krijgt een zwaard, Susan een pijl en boog en een hoorn. Lucy krijgt een dolk en een flesje met een genezend drankje. Ze krijgen ook een heerlijk ontbijt.
|
| H11
| Edmund en de Tovenares zijn in de slee op weg naar de Stenen Tafel. Edmund ziet dat de kracht van de Tovenares af begint te nemen. Er zijn dieren kerstfeest aan het vieren, en de sneeuw wordt steeds minder
Dan kunnen ze zelfs niet meer verder met de arrenslee. Edmund's handen worden vastgebonden en de dwerg houdt hem vast. Zo lopen ze verder.
|
| H12
| De sneeuw is nu echt verdwenen. Overal zingen weer vogels en er stromen beekjes met smeltwater. Dat merken de kinderen en de bevers ook.
Dan komen ze aan bij de Stenen Tafel. Die staat op een heuvel. Aslan is daar ook, omringd door dieren en wezens.
Peter stapt als eerste op hem af. Ze vragen aan Aslan of hij Edmund kan redden. De meisjes mogen feest gaan vieren. Dan neemt Aslan Peter apart. Hij laat hem Cair Paravel zien.
Susan wordt aangevallen door een wolf. Peter vecht met de wolf en doodt hem. Er is nog een wolf, die rent weg. Aslan stuurt een paar van de snelste wezens achter hem aan.
Aslan slaat Peter tot ridder, omdat hij zo dapper tegen de wolf heeft gevochten.
|
| H13
| De andere wolf is bij de Tovenares aangekomen. Als ze hoort dat de anderen al bij Aslan zijn, wil ze Edmund doden. Maar de wezens bevrijden Edmund. De Tovenares en de dwerg krijgen ze niet te pakken.
Edmund is weer terug bij de anderen. Ze zijn niet kwaad op hem. Dan komt de dwerg en die zegt dat de Tovenares met Aslan wil praten. Dat mag van Aslan.
De Tovenares zegt dat er een verrader is. Ze bedoelt natuurlijk Edmund. En er is een Verborgen Kracht, die zegt dat elke verrader gedood moet worden. De Tovenares moet bloed hebben, anders zal Narnia vernietigd worden.
Aslan praat met de Tovenares. Daarna zegt hij tegen de kinderen en de rest dat Edmund niet gedood zal worden. Ze gaan weg bij de Stenen Tafel, naar de Doorwaadbare Plaats van Beruna. Aslan ziet er heel verdrietig uit. Iedereen wordt er verdrietig van.
|
| H14
| Die nacht kunnen de meisjes niet slapen. Er is iets met Aslan. Ze gaan naar buiten en daar zien ze hem lopen. Ze mogen met hem meelopen. Hij laat zijn kop hangen en loopt heel langzaam. Dan moeten ze achterblijven.
Aslan loopt verder. Hij komt bij de Stenen Tafel. Daar is een hele menigte slechte wezens. Ze binden Aslan vast en knippen zijn manen af. Ze schelden hem uit en spugen op hem. Tenslotte doodt de Tovenares hem met haar mes.
De meisjes zijn vreselijk verdrietig en huilen.
|
| H15
| Dan komt de hele menigte van de heuvel af stormen. Ze zien Susan en Lucy gelukkig niet. De muizen knagen de touwen van Aslan door. De nacht is alweer bijna voorbij en de meisjes kijken naar de zonsopkomst.
Dan opeens horen ze een gekraak. De Stenen Tafel is doormidden gebroken en Aslan is weg! Maar plotseling staat hij achter hen, levend en wel. Zijn manen zijn weer aangegroeid.
Er is een kracht, nog eerder dan de Tijd. Daarin staat dat als iemand zich opoffert voor een verrader, hij weer levend zal worden. Daarom is Aslan weer opgestaan.
Ze stoeien een poos met z'n drieën. Dan klimmen de meisjes op Aslans rug en rijden ze naar het kasteel van de Tovenares. Aslan springt over de muur en ze komen op de binnenplaats met de standbeelden.
|
| H16
| Aslan maakt alle standbeelden weer levend. Er is ook een reus bij. Ze gaan met z'n allen op weg om de Tovenares te zoeken.
Dan komen ze aan bij het gevecht van Peter en de rest tegen de Tovenares en alle nare wezens. Aslan en zijn gevolg storten zich in de strijd.
Aslan doodt de Tovenares. De hele horde slaat op de vlucht. Peter vertelt dat Edmund de toverstaf van de Tovenares heeft gebroken. Door het drankje van Lucy wordt Edmund weer beter, hij was heel erg gewond.
|
| H17
| Ze gaan naar Cair Paravel en daar worden de kinderen tot Koningen en Koninginnen gekroond. Aslan gaat weer weg. De Koningen en Koninginnen regeren goed.
Op een dag gaan ze jagen op het Witte Hert. Daardoor komen ze bij de lantaarnpaal. Als ze verder lopen, komen ze weer bij de kleerkast.
De bezoekers zijn er nog steeds. Er is dus helemaal geen tijd voorbij gegaan. Maar de professor gelooft de kinderen. En ze zullen zeker nog teruggaan. "Eens Koning of Koningin in Narnia, altijd Koning of Koningin in Narnia!"
|