|
Deel 5: De reis van het drakenschip
Engelse titel: The voyage of the dawn treader
Reis mee met het drakenschip, op zoek naar de zeven edelen!
Je komt de vreemdste wezens tegen: Draken, Duffelpoeters, Tovenaars
en sterren. Het drakenschip vaart helemaal naar het Oosten, waar de
zon opgaat en de wereld ophoudt. Waarom wil Rippertjiep daar zo graag heen?
Klik op een van de personen voor meer informatie, of ga naar de personen-index.
Er is een korte samenvatting en een langer verhaal. Bij de lange inhoud zijn de hoofdstukken aangegeven
Als je met de muis op een plaatje staat, zie je na een paar tellen wat het voorstelt.
|
|
|
Een korte samenvatting
Edmund en Lucy logeren bij hun vervelende neefje Eustaas. Op een dag komen ze door een schilderij in Narnia terecht.
Ze zijn op de Dageraad, het schip van Caspian. Die is op zoek naar zeven edelen. Ze varen naar het oosten.
Eerst komen ze bij de Verlaten Eilanden. Daar vindt Caspian Heer Bern en hji maakt hem gouverneur van de drie eilanden.
Dan varen ze verder. Het schip komt in een storm en gehavend belanden ze op een eiland. Eustaas gaat er in zijn eentje vandoor.
Hij ziet een draak en wordt zelf ook een draak. Later wordt hij weer gewoon, maar hij is dan wel aardiger geworden.
Door een armband die hij gevonden heeeft, weten ze dat Heer Octresian daar omgekomen is.
Ze varen weer verder en worden bijna gekraakt door de Zeeslang. Dan komen ze op een eiland waar ook een van de zeven edelen is omgekomen
(later blijkt dat Restimar te zijn). Er is daar namelijk een meertje waarin alles van goud wordt.
Als ze bijna terug willen gaan, komen ze op het eiland van Tovenaar Coriakin. Lucy maakt de Duffers weer zichtbaar en met nieuwe voorraden gaan ze weer verder naar het oosten.
Dan komen ze bij het Duistere Eiland. Daar worden dromen waar. Ze pikken Heer Rhoep op maar verdwalen zelf bijna. Door een albatros komen ze er toch uit.
De laatste drie edelen zitten aan de Tafel van Aslan te slapen. Om ze wakker te maken, moeten ze helemaal naar het einde van de wereld varen.
Als de Dageraad niet meer verder kan, gaan Rippertjiep, Lucy, Edmund en Eustaas verder in een roeiboot. Rippertjiep gaat naar het land van Aslan,
de anderen worden door Aslan weer naar huis gestuurd. Lucy en Edmund zullen niet meer terugkomen, ze moeten Aslan in hun eigen wereld leren kennen.
|
|
Wat gebeurt er in het boek?
| | H1
| Lucy en Edmund moeten bij hun oom en
tante logeren. Dat vinden ze helemaal niet leuk, want hun neefje
Eustaas is een akelig ventje. Hij zit hen heel de tijd te pesten.
Als Lucy en Edmund op een dag naar een schilderij zitten te kijken,
komt Eustaas ook binnen. Het is een schilderij van een schip uit
Narnia. Dat kun je zo zien.
Opeens zien ze dat alles echt beweegt. Het gaat ook waaien en ze
ruiken de zee. Eustaas wil het schilderij van de muur afhalen, de
anderen houden hem tegen. Dan vallen ze in de zee.
Op het schip zien ze mensen staan. Die halen hen uit het water. De
kamer is helemaal verdwenen, ze zitten midden op zee.
Als ze op het dek staan, zien ze dat Caspian hen gered heeft.
Die is nu koning van Narnia. Ze zijn heel blij dat ze elkaar weer zien,
maar Eustaas gilt alleen maar dat hij terug wil.
Rippertjiep komt hen ook begroeten, en dan gaan ze droge kleren
aandoen. Lucy krijgt de hut van Caspian.
| | H2
| De kapitein van de boot heet
Drinian. Caspian vertelt dat ze op zoek zijn naar zeven edelen. Die
zijn vroeger door Miraz naar het oosten gestuurd. En ze zijn nooit meer
teruggekomen.
Caspian laat Edmund en Lucy het schip zien. Dan gaan ze bij Eustaas
kijken, die zeeziek is en in bed ligt. Lucy geeft hem van haar drankje
, maar zijn humeur wordt er niet beter op. Hij moppert overal op en
vindt de Dageraad maar een klein rotbootje.
Eustaas vindt Rippertjiep ook heel stom, zo'n klein beestje die zo
gewichtig doet. De volgende dag ziet hij Rippertjiep zitten op de
voorplecht. Dan trekt hij aan zijn staart en draait hem rond. De Muis
trekt zijn zwaard en steekt en slaat hem. Eustaas rent naar de kajuit
en moet zijn excuses aanbieden.
| | H3
| Ze komen bij de verlaten
eilanden: Felimath, Doorn en Avra. Felimath was vroeger onbewoond en
het ziet er nog zo uit. Caspian, Lucy en Edmund lijkt het wel leuk om
daar te wandelen. Ze spreken af dat zij gaan lopen, en het schip hen
later weer opppikt. Eustaas en Rippertjiep gaan ook mee lopen.
Als ze over de eerste heuvel heen zijn, zien ze een paar mannen
zitten. Ze zijn allemaal gewapend. De mannen vragen of ze wat willen
drinken, en nmen hen dan gevangen. Het zijn slavenhandelaren en hun
aanvoerder heet Peuk.
Ze worden meegevoerd naar de kunst. Peuk wil hen in Smallendamme
verkopen, dat ligt op het eiland Doorn. Caspian wordt op Felimath al
verkocht en de rest moet in een schip naar Doorn.
De man die Caspian heeft gekocht is Heer Bern, een van de zeven
edelen. Bern vertelt dat de gouverneur van de Verlaten Eilanden,
Gompus, de koning van Narnia niet meer gehoorzaamt. Als Caspian de
macht weer wil krijgen, zal hij net moeten doen of hij met een heel
groot leger is.
Dan komt de Dageraad aanvaren. Caspian en Bern gaan aan boord en
ze varen naar Avra. Daar is het landgoed van Bern.
| | H4
| De volgende dag gaat Caspian
met zijn soldaten naar Smallendamme. Ze marcheren naar het paleis van
de gouverneur. Daar is alles heel slonzig. De gouverneur wordt
ontslagen en Heer Bern wordt Hertog van de Verlaten Eilanden.
Caspian en zijn sldaten gaan naar de slavenmarkt en laten alle
slaven vrij. Ook Edmund, Lucy, Eustaas en Rippertjiep zijn daar. Die
avond is er een groot feest.
Bijna drie weken later kunnen ze pas weer verer. Heel het schip
moet nagekeken worden, en ze moeten veel eten meenemen.
| | H5
| De eerste paar dagen is het
lekker weer. Maar dan begint het te stormen. De storm duurt 12 dagen.
Daarna wordt het heel warm en is er weinig wind. Ze komen bij een
eiland. Daar gaan ze aan land om het schip te repareren.
Eustaas loopt stilletjes weg en klimt een helling op. Het wordt
mistig en hij wil weer terug naar de rest. Maar hij loopt verkeerd en
komt in een dal, met een vijvertje. In een grot ziet hij een draak.
De draak loopt naar buiten. Hij is heel oud, zo te zien. De draak
wil gaan drinken, maar valt dood neer. Opeens begint het te
stortregenen. Eustaas gaat schuilen in de grot van de draak.
Daar liggen allemaal schatten: kronen, munten, sieraden,
edelstenen... Eustaas doet een armband om zijn elleboog en propt zijn
zakken vol diamanten. Dan gaat hij liggen en valt algauw in slaap.
| | H6
| De anderen gaan ondertussen
op zoek naar Eustaas. Als Eustaas wakker is, is hij een draak geworden.
Eerst denkt hij er alleen aan, dat hij Caspian en Edmund bang kan
maken, maar dan beseft hij dat hij dat helemaal niet wil.
Hij wil weer gewoon aardig zijn voor anderen. Eustaas is heel
verdrietig en voelt zich erg eenzaam.
| | H7
| Hij vliegt naar het schip.
De anderen zijn eerst natuurlijk heel bang voor hem, maar dan ontdekken
ze dat hij Eustaas is. De gouden armband is heel strak gaan zitten,
omdat Eustaas' voorpoot nu natuurlijk veel dikker is. Dat doet wel zeer.
Caspian ziet wat op de armband staat: Het wapen van heer Octresian
, ook een van de zeven edelen. Die zal dus wel door die oude draak
opgegeten zijn.
Eustaas kan goed helpen: Hij vangt schapen voor het eten en hij
haalt een boom voor de nieuwe mast. Maar wat moeten ze met hem doen
als ze weer verder gaan? Daarom is Eustaas nog steeds ongelukkig.
Op een nacht ziet Edmund iemand lopen. Het is Eustaas en hij is
weer gewoon. Eustaas vertelt dat Aslan hem meenam naar een bron. Daar
stroopte hij Eustaas' huid eraf en gooide hem in het water. Toen was
hij geen draak meer.
Iedereen is heel blij, en Eustaas is erg veranderd. De armband
laten ze achter op het eiland, bij een inscriptie. Daar staat dat heer
Octresian naar alle waarschijnlijkheid op dat eiland is omgekomen.
| | H8
| Ze varen weer verder. Op een
regenachtige dag zien ze opeens de Zeeslang. Hij wil het schip kraken,
door zijn lijf er in een lus omheen te leggen en die lus dan aan te
trekken. De mannen duwen allemaal tegen de lus en zo schuift die van
het schip af.
Een paar dagen later komen ze weer bij een eilandje.
In een meertje daar zien ze een gouden standbeeld liggen. Edmund
ontdekt dat alles wat je in dat meertje steekt, van goud wordt. Het
standbeeld is iemand die wilde zwemmen en in het water is gedoken.
Hij werd toen van goud. Omdat ze ook kleren hebben gevonden, weten ze
dat het een van de zeven edelen is.
Dat meertje is natuurlijk heel gevaarlijk, maar je kunt er ook
rijk mee worden. Caspian en Edmund krijgen er bijna ruzie om. Dan zien
ze opeens Aslan lopen. Als die weer verdwenen is, weten ze niet meer
precies wat er gebeurd is. Ze gaan maar weer naar het schip.
| | H9
| Als ze heel lang
hebben gevaren, en ze denken dat er niks meer komt, komen ze toch weer
bij een eiland. Dat ziet er bewoond uit, met een netjes grasveld. Verderop
staat een landhuis. Een mooi recht pad leidt daarheen.
Ze gaan op weg naar het huis. Lucy blijft achter, omdat ze een steentje
in haar schoen heeft. Dan hoort ze allemaal gebons en stemmen, maar ze ziet
niks. De stemmen zeggen dat ze de Narniërs gaan overvallen. Vlug holt Lucy
naar de rest toe. Die hebben ook al ontdekt dat er op dit eiland onzichtbare wezens zijn.
Ze lopen weer terug naar het strand. Daar praten ze met de
Baas van de Stemmen. De Stemmen zijn heel dom, telkens als hun baas
iets zegt, juichen ze dat ze dat ook precies zo hadden gezegd.
De Baas vertelt dat ze Duffers zijn en waarom ze onzichtbaar zijn.
De Duffers wonen bij een tovenaar, en omdat ze niet gehoorzaam waren,
had de tovenaar hen lelijk gemaakt.
Maar ze hadden in het toverboek gekeken en een spreuk gevonden
om je onzichtbaar te maken. Nu willen ze toch weer zichtbaar zijn, dus ze
moeten weer een spreuk opzoeken. Maar ze durven zelf niet, en het moet
door een meisje gedaan worden. Dus daarom willen ze dat Lucy het gaat doen.
Dat wil Lucy wel.
| | H10
| Eerst gaan ze eten
en slapen. De volgende ochtend gaat Lucy dan naar de kamer van de
tovenaar. Ze bladert in het toverboek. Er staat ook een spreuk om te
weten wat je vrienden van je denken. Dat wil ze wel weten. Maar als
Lucy hem opgezegd heeft, ziet ze haar beste vriendin tegen iemand zeggen
dat Lucy niet aardig is. Dus bladert ze maar snel verder.
Als ze de spreuk voor de Duffers heeft gezegd, ziet ze Aslan in
de deuropening staan. Ze rent naar hem toe. Aslan zegt dat het niet eerlijk
is dat ze haar vriendin heeft afgeluisterd. Dat meisje was bang voor het
grotere meisje, daarom zei ze dat. Lucy heeft er wel spijt van. Dan lopen
Aslan en Lucy naar de tovenaar Coriakin.
| | H11
| Aslan praat nog
even met Lucy en Coriakin, en gaat dan weg. Hij moet nog naar Trompoen,
die in Narnia op de zaken past.
Lucy krijgt een ontbijt van de Tovenaar.
Die vertelt haar dat de Duffers niks snappen. Ze wilden geen water
halen in de rivier die langs de akker stroomt, maar gingen helemaal naar
de bron. Toen heeft Coriakin Eenvoeters van hen gemaakt. Dat vinden
ze zelf lelijk, maar Lucy vindt ze er erg leuk uitzien.
De Duffers zijn nu weer zichtbaar en Lucy probeert hen duidelijk te
maken dat ze er wel leuk uitzien, maar dat lukt niet erg. Ze gaan naar de Dageraad.
Drinian en de andere Narniërs komen ook op het eiland. Die avond eten
ze allemaal bij de Tovenaar. De volgende dag vaart de Dageraad weer weg.
| | H12
| Bijna twee weken later zien ze opeens Duister aan de horizon. Ze willen eerst
teruggaan, maar Rippertjiep zegt dat ze verder moeten gaan. Dus varen ze toch verder. De drie lantaarns van het schip zijn aangestoken, voor de rest is het aardedonker.
Dan horen ze een angstig geschreeuw. Een man roept of hij op hun schip
mag komen. Ze hijsen hem aan boord. Hij vertelt dat dit het eiland is waar
dromen waarheid worden. Iedereen wordt heel bang en ze roeien volle kracht terug.
Maar ze verdwalen.
Dan komt er een albatros aanvliegen en die wijst hen de goede weg. Als ze uit het donker zijn, is het Duistere Eiland en de duisternis verdwenen. De man die ze gered hebben, is heer Rhoep.
| | H13
| Ze zijn nu heel ver in het Oosten, de nachten zijn warm. Het waait bijna niet en er zijn geen golven. Op een avond zien ze weer een eiland. Ze gaan aan land.
Er staat een soort ruïne, pilaren met in het midden een lange tafel. Er staat heerlijk
eten op.
Er zitten drie mannen te slapen. Hun haar is overal overheen gegroeid. Caspian ziet dat het de drie laatste edelen zijn. De Narniërs durven niet van het eten te eten, omdat
het vast betoverd is. Rippertjiep, Caspian, Lucy, Edmund en Eustaas blijven die nacht bij
de tafel.
Tegen zonsopgang komt er een meisje uit een deur in een heuvel. Die vertelt dat de mannen in slaap vielen omdat ze het mes aanraakten. Dat mes heeft de
Tovenares gebruikt om Aslan te doden. Ze kunnen dus zonder gevaar gaan eten
en dat doen ze dan ook.
| | H14
| Er komt een man uit de heuvel. Samen met het meisje zingt hij een lied. Daardoor komt de zon op. Er komen allemaal vogels aanvliegen, die pikken de tafel leeg. Als de vogels weer weg zijn, begroet de oude man de Narniërs.
Om de drie edelen wakker te krijgen, moet Caspian naar het Eind van de Wereld varen
en minstens één van zijn vrienden achterlaten. Rippertjiep wil natuurlijk heel graag. De oude
man heet Ramandoe en is een ster. Hij is al heel oud, en op een dag zal hij weer aan de hemel staan.
De rest van de bemanning komt ook aan land. Heer Rhoep mag ook gaan slapen.
Dan halen ze de matrozen over om ook mee te gaan. Die avond eten ze met zijn
allen aan de tafel van Aslan.
| | H15
| De Dageraad vaart weer verder naar het Oosten. Het is heel vreemd, ze hebben
niet veel slaap nodig en de zon is heel groot. Het water is heel helder. Lucy kijkt
naar beneden. Daar ziet ze bos en weggetjes. Bovenop een heuvel staat een kasteel. Dan
ziet ze Zeebewoners die bezig zijn met een soort valkenjacht, maar dan met vissen.
Drinian zegt dat ze het tegen niemand moet zeggen. Als er matrozen verliefd
worden op zo'n zeevrouw, springen ze overboord.
Dan horen ze een plons, Rippertjiep is in de zee gesprongen. Als ze hem
er weer uithalen, is hij heel opgewonden. Het water is zoet! Dat staat
ook in de voorspelling die Rippertjiep vroeger gehad heeft:
Waar het water niet zout maar zoet smaakt
Rippertjiep, daar vind je gewis
Al wat je diepste verlangen is
Daar is het uiterste Oosten.
Iedereen drinkt van het water. Ze hebben geen honger meer en ze kunnen
in de zon kijken.
| | H16
| De Dageraad glijdt nog steeds naar het oosten. Niemand hoeft er meer te eten of te slapen. Ze praten niet zoveel meer, en dan vooral fluisterend. Dan komen ze
bij een zee van lelies. Het schip vaart nog een eindje verder, maar dan wordt
het te ondiep.
Caspian wil eerst samen met Rippertjiep verdergaan in de roeiboot, maar Aslan
zegt dat hij terug moet gaan met de Dageraad. Lucy, Edmund en Eustaas gaan
met Rippertjiep verder. Caspian is heel verdrietig.
De kinderen en Rippertjiep komen bij een groene golf. De Muis gaat met zijn
bootje over de golf. De andere drie lopen naar het zuiden. Ze komen bij een vuurtje
met vis erop. Er staat een Lam bij en ze eten van de vis. Dan verandert het
Lam in een Leeuw en zien ze dat het Aslan is. Aslan zegt dat Edmund en Lucy
niet meer terug zullen komen. Ze moeten hem leren kennen in hun eigen wereld.
Daar heeft hij een andere naam.
Dan doet Aslan de deur in de lucht open en zijn ze weer in het kleine
slaapkamertje in Cambridge. Caspian trouwt met de dochter van Ramandoe. Eustaas is een stuk aardiger, hij is echt veranderd. Maar tante Alberdien zei dat hij erg gewoontjes en saai was geworden en dat dat wel de schuld van die kinderen van Pevensie zou zijn.
|
|